Z

INDEX


Zand: verweringsmateriaal, minerale deeltjes met doorsneden van 0,05-2 mm. Bestaat voor het merendeel uit kwarts.

Zandverstuiving. onbegroeide zandvlakte waar de wind weer vat krijgt op het zand dat gaat stuiven en zorgt voor duinvorming.

Zavel: mengsel van zand en klei. Zware zavel heeft een groter percentage klei dan lichte zavel.

Zeedijk: aarden wal ter bescherming van het achterliggende (polder)land tegen de zee.

Zeeklei: zeer fijn sediment afgezet door de zee (doorsnede kleiner dan 0,002 mm.

Zeereep: direct aan de kust liggende duinenrij.

Zeepolder: een stuk land dat door aanslibbing is ontstaan. De zee zet zeeklei af. Wanneer zo'n buitendijks stuk land groot en hoog genoeg was, legde men er een dijk omheen. Vooral in Groningen en Friesland heeft men zo veel land gewonnen. Een ander woord voor zeepolder is: bedijking.

Zoetwaterhuishouding: natuurlijke of kunstmatige wijze waarop de aan- en afvoer van zoet water in een gebied verloopt.

Zomerdijk: lage dijk of kade aan weerszijden van de rivier, die het gebied erachter beschermen tegen een overstroming in de zomer (zie ook winterdijk).

Zonering van landelijke gebieden: een indeling van landelijke gebieden in gebieden met een bepaalde ontwikkelingskoers en een eigen verdeling van functies.

Zouttoren / zouthuisje : een bouwsel in Oost-Nederland dat is opgericht om zout uit de ondergrond te halen.

Zwaaikom: een draai- en keer-ruimte voor schepen in vaarten en kanalen.

Zwerfstenen: grote keien, die tijdens de ijstijd (Saale-ijstijd) door het landijs zijn meegevoerd vanuit Scandinavië en hier neergelegd.

Zwetsloten: kleine ontwateringssloten in het hoogveenontginningslandschap.